Er is iets verschoven in mij, de afgelopen twee jaar. Een diepere, onwennige beweging.
Het voelt misschien ongemakkelijk om dit zo uit te spreken, maar ik merk dat ik de westerse trend van ceremonies en rituelen, waarin we putten uit een mix van verre en nabije, geleende culturen, niet langer wil navolgen. De aantrekkingskracht is verdwenen. Het voelt inmiddels als een omweg die me juist weghoudt van de essentie.
Niet omdat die tradities niet waardevol zijn. Ik ben er immers zelf mee verbonden en heb veel ontvangen van onder meer de Shuar en hun eeuwenoude relatie met Natem en Tsaank.
Ik heb het altijd moeilijk gevonden om te zien hoe plantenleringen worden gedeeld zonder verbinding met hun ancestrale herkomst. Planten en de vooroudertradities waarmee ze verbonden zijn, kun je niet los van elkaar zien. Dat is een inzicht dat zich in ruim twintig jaar van verdieping steeds verder heeft ontvouwd.
Juist daarom eer ik wat mij aan plantenleringen is aangereikt. Zoals Cacao die ik nog altijd met dankbaarheid schenk tijdens mijn baarmoedermassages, om harten en bekkens te verzachten. Tegelijkertijd voel ik dat de bedding waarin ik deze planten en tradities plaats radicaal is veranderd.
Niet omdat we onszelf daarin verliezen, maar omdat deze tradities ons juist verbinden met hun eigen voorouders. En hoewel we in de verte allemaal met elkaar verwant zijn, ontstaat er een breuk wanneer we onze eigen bloedlijn overslaan. Onze eigen voorouders vormen immers een brug naar het grotere geheel. Via hen kunnen we datgene wat ons aan planten en tradities is aangereikt, verweven met de stroom van onze eigen grond en wortels.
Het volgen van geleende tradities leidt ons soms weg bij wat we hier werkelijk te doen hebben: incarneren. De relatie voeden met de grond onder onze eigen voeten, met onze eigen voorouders, met degenen die deze plek vóór ons bewoonden én met degenen die na ons zullen komen. Juist nu.
De afgelopen maanden heb ik vaak samen met Rua onder deze eik gezeten. Hier, op de grens van het Mandefjild, bij het stilstaande water van de pingo. Dicht bij de diep uitgesleten, eeuwenoude karrensporen en op gepaste afstand van de grafheuvels. Om simpelweg te rusten in een landschap dat voor mij de meest wezenlijke toegang vormt tot mijn eigen wortels.
Ik wil het vuur hier brandend houden. Puur, ontdaan van woorden en concepten die elders zijn ontstaan. Hier, in mijn lijf.
Ik wil rouwen om wat we onderweg in onze eigen geschiedenis zijn kwijtgeraakt. Zodat ik de stilte kan delen met degenen die deze sporen vóór mij hebben getrokken.
Zodat ik meer in mijn vlees kan komen.
Zodat ik hen achter mij weet.
Ze wachten op ons.





